|








| |
[Omhoog] [Ernst Exacerbatie] [Behandeling opstoot] [Dringende ZH opname] [Doorverwijzingscriteria] [GOLD behandelingen] [Casuïstiek] [Zorgcoördinatie bij ZHontslag]
 |
Patiënt heeft
toenemende klachten van dyspnoe al dan niet gepaard met groen-gele sputa,
zonder alarmerende tekens.
-
Onderzoek de
aanwezigheid van mogelijke andere oorzaken van kortademigheid zoals
hartsdecompensatie, spierzwakte, anemie, endocriene afwijkingen etc..
Behandel ade-quaat wat aanwezig is.
-
Drijf de
dosis bronchodilatatie op bijv. 1-2 pufs om het uur en later om de twee
uur, in plaats van om de 4-6 uur.
-
Kinesitherapie om sputumexpectoratie te bevorderen.
-
Antibiotica
indien er duidelijk groen-geel sputum aanwezig is en indien er na 48 uur
geen duidelijke verbetering in de situatie opgetreden is.
-
Corticosteroïden, Medrol 32 mg 4d, 24mg 4d, 16 mg 4d, 12 mg 4d, 8 mg 4d,
4mg 4d en dan stop, indien van meetaf aan geoordeeld wordt dat een om een
matig ernstige exacer-batie gaat. Zoniet wordt 48 uur afgewacht en worden
corticosteroïden pas gestart indien de klinische toestand na 48 uur niet
beter is.
-
Zuurstoftherapie indien desaturatie bestaat.
-
De verergering
wordt spirometrisch gedocumenteerd en ook de verbetering wordt nader-hand
spirometrisch aangetoond.
-
Indien de
klinische toestand ondanks deze behandeling niet verbetert of indien er
van in het begin tekens aanwezig zijn van een ernstige exacerbatie wordt
patiënt naar het ziekenhuis verwezen. Er wordt aangeraden hiervoor eerst
overleg te hebben met de behandelende longarts.
|
 |
Patiënt
heeft een toename van dyspnoe al dan niet gepaard met groen-geel sputum met
aanwezigheid van alarmerende tekens.
-
Alarmerende tekens zijn:
-
Deze alarmerende tekens
moeten in de globale klinische context geïnterpreteerd worden en een
alleenstaand teken heeft geen belang, behoudens vermindering van
bewustzijn wat aan
-
CO2-retentie doet denken. Indien de globale klinische context
als alarmerend ervaren wordt, is onmiddellijke hospitalisatie
aangewezen.
|
 |
Patiënt
wordt voortdurend opnieuw opgenomen en ondanks herhaalde opnames wordt zijn
klinische toestand op het eerste gezicht niet veel beter.
|
 |
Patiënt
neemt de voorgeschreven medicatie niet in.
-
Patiënt houdt zich niet aan de
voorschriften in verband met medicatieinname, regelmatige bronchiale
hygiëne en fysieke activiteiten.
-
Zoek
naar knelpunten: juiste techniek? juiste uitvoering? effectiviteit?
sociale support?
-
Behandel
met: herhalen van instructies, praktisch oefenen van vaardigheden.
Formuleer doelstellingen.
|
 |
Patiënt
blijft ondanks optimale medicatie instelling klagen van overmatig veel sputa
en bemoeilijkte expectoratie.
-
Verifieer:
-
Localisatie
van secreties?
-
Longfunctiestoornis?
-
Visco-elastische
eigenschappen van mucus
-
Expectoratiekracht?
-
Compliance
met behandeling?
-
Bronchiectasieën
-
staat medische
behandeling op punt?
-
Behandel
indien geïsoleerd probleem met: geforceerde expiratietechnieken, hoesten,
houdingsdrainage,
ademoefeningen.
|
 |
Patiënt heeft
toenemende klachten van dyspnoe al dan niet gepaard met groen-gele sputa,
zonder alarmerende tekens.
-
Verwijs naar
respiratoire revalidatie voor evaluatie die in principe zal bestaan uit
perifere en ventila-toire spierkracht, 6-minuten loopafstand en
inspanningsonderzoek. Verifieer voordien de longfunctie
-
van patiënt en vergewis
u ervan dat patiënt zijn gewone waarden haalt. Indien evidentie voor
spier-zwakte of deconditionering, wordt ook quality of life en
ADL-beperking nagegaan. Patiënt wordt daarna in principe opgenomen in een
6-maand durend ambulant revalidatieprogramma, waarbij hij per week 2-3
maal per week komt oefenen. Deze oefeningen bestaan uit spiertraining,
inspanningstrai-ning, ADL training en ademoefeningen (pursed lips
breathing). De huisarts wordt van bij het begin als een partner in het
multidisciplinair team betrokken. Na de periode van 6-maanden organiseert
de huis-arts een onderhoudsprogramma in samenspraak met de
thuiskinesitherapeuten. Indien het voor de pa-tiënt onmogelijk is om zich
naar het revalidatiecentrum te verplaatsen, kan overwogen worden deze
revalidatie in de thuissituatie uit te voeren in samenspraak tussen het
revalidatieteam en de thuisver-zorgers. De kinesitherapeutische
behandeling bestaat dan uit inspanningstraining, perifere spiertrai-ning,
ademspiertraining, ADL-training (in samenspraak tussen kinesithera-peut en
verpleegkundige) en ademoefeningen. Afhankelijk van de vastgestelde
limitaties wordt de geschikte combinatie van deze behandelingsmethodes
gekozen.
|
 |
Patiënt maakt zich zorgen over de evolutie van zijn aandoening en vraagt
zich af wat zijn prognose op termijn is als hij zich van jaar tot jaar
minder voelt.
-
Leg patiënt uit wat COPD
is en hoe COPD verder schrijdt. Vooralsnog is er weinig medicamenteuze
behandeling die de progressie van COPD beïnvloedt. Probeer eventueel met:
-
Combinatiepreparaten:
Seretide 50/500 2x1; Symbicort 160/9 2x2.
-
Lysomucil
1 bruistablet=600 mg per dag.
-
In een eindstadium kan
hier ook over volume reductie chirurgie en longtransplantatie gesproken
worden (cfr. supra).
|
 |
De
patiënt met risico op of vermoedelijk COPD, maar nog niet bevestigde
diagnose
-
De huisarts voert bij
deze patiënt een spirometrie uit en stelt een obstructieve longfunctie
stoornis vast. Op basis van de leeftijd (>40 jaar), de rookgewoonten (>10
pack years), de aanwezigheid van een geschiedenis van astma (afwezig), de
aanwezigheid van een ge-schiedenis van allergie en verhoogd IgE gehalte
(afwezig) en de reversibiliteit van deze ob-structieve stoornis (afwezig)
sluit hij astma uit en bevestigt de diagnose COPD. Indien dit geen
duidelijk uitsluitsel geeft, vereist verdere bevestiging: een steroid
trial (32 mg Medrol per dag gedurende 2 weken en dan een controle
spirometrie), bepaling van de diffusiecapa-citeit of uitvoeren van een
CT-thorax. Voor de laatste twee onderzoeken wordt patiënt naar de longarts
verwezen. Behandel verder volgens zorgtraject A of B. Verwijs alleen
indien no-dig volgens deze zorgtrajecten.
|
 |
De
alleenwonende COPD patiënt <75jaar met maximaal 3 exacerbaties per jaar.
|
 |
De
geïnstitutionaliseerde COPD patiënt >75 jaar met FEV1 <50
|
 |
De
COPD patiënt met belangrijke co-morbiditeit (indeukingsfracturen, diabetes,
hartfalen).
-
Behandel
volgens de standaardzorgtrajecten A en B. Behandel co-morbiditeit
adequaat. Er dient op-gewezen dat diabetes meestal in significante mate
verergert bij het geven van een steroïdkuur. Intensi-fiëring van de
insuline-behandeling of behandeling met orale anti-diabetica is dan vaak
nodig. Oste-oporose met verwikkelingen is ook vaak met COPD geassocieerd.
Naast de behandeling van de ver-wikkelingen is ook de behandeling van
osteoporose van groot belang. Hiervoor kan het volgende schema voorgesteld
worden:
-
Adequate
oestrogeensubstitutie bij de vrouw en androgeensubstitutie bij de man zo
nodig.
-
Calcium
supplement 500 mg-1g per dag.
-
1-alfa 0.5μg per
dag, op te starten onder controle van de calcemie.
-
Bij
acute pijn wordt de volgende behandeling gegeven tot de patiënt pijnvrij
is:
-
Alternatief: Cacit
(1000/880) 1co per dag.
-
Calcitonine 50-100 E per dag
-
Aredia
of Bonefos. Aredia in een dosis
van 40-60 mg per dag. Bonefos in een dosis van 1500 mg per 4 uur.
Onderhoudsbehandeling kan gegeven worden om de 1-3 maanden.
|
 |
De COPD patiënt die
omwille van exacerbatie zelf verzoekt om een opname.
-
In
eerste instantie worden hier potentiële redenen voor verwijzing naar het
ziekenhuis onder-zocht. Behoudens diagnostische redenen (twijfel aan de
diagnose COPD, oppuntstelling ernstig COPD, snelle afname FEV1 bij jonge
persoon, mogelijkheid longtransplantatie of volume reductie chirurgie)
komt dit hoofdzakelijk neer op aanwijsbare exacerbaties van de ziekte, die
thuis niet behandelbaar zijn. Dit zijn in hoofdzaak exacerbaties die
potentieel le-vensbedreigend zijn bijv. omwille van concomitante
pneumonie, uitgesproken hypoxemie, hypercapnie, afname van de pH,
uitgesproken dyspnoe met orthopnoe, belangrijke geasso-cieerde
hartsdecompensatie of exacerbaties waarbij de ingestelde therapie
blijkbaar onvol-doende doeltreffend is. Als er een discrepantie bestaat
tussen de klinische bevindingen en het gevoel van de patiënt moet aan de
volgende mogelijkheden gedacht worden: steroïd-myopathie,
hyperventilatiesyndroom, psychische stoornissen zoals depressie.
Organiseer optimale psychosociale ondersteuning in de thuissituatie, na
een grondige analyse van deze situatie. Eventueel kan hier opname in een
ambulant revalidatieprogramma overwogen wor-den. Optimale interactie met
de tweede lijn is hier nodig om onnodige hospitalisatie te ver-mijden,
eventueel via consult van longarts.
|
 |
Patiënt heeft een inactieve levensstijl
-
Patiënt heeft geen
specifieke problemen in verband met inspanningen, maar legt de lat in
verband met activiteiten erg laag. Dezelfde variabelen als onder 6 worden
onderzocht. Behandeling richt zich op inspanningstraining vooral gericht
op recreatieve fysieke activiteiten, voorlichting over
gezondheids-aspecten van fysiek actief zijn en gericht uitkijken naar
recreatieve fysieke activiteiten buiten het ge-zondheidscircuit.
|
|