|
Follow-up van de patiënt |
|
De huisarts speelt een belangrijke rol in het herkennen en de vroegdetectie van COPD en de follow-up van de beginnende stadia. Het beleid rondom controle en evaluatie wordt niet alleen vastgesteld door middel van herhaalde spirometrie. De compliance van patiënt (bijvoorbeeld inhalatietechniek) dient te worden geëvalueerd. De klinische situatie van de patiënt is een belangrijke factor in de beoordeling van het effect van therapie.
Spirometrie algemeen 1. Een COPD-patiënt die start met bronchusverwijders en / of inhalatie steroïden krijgt minimaal na drie maanden een longfunctieonderzoek om het effect van de therapie te evalueren. 2. Elke COPD-patiënt laat ongeacht de mate van COPD minimaal één keer per jaar spirometrie meten.
Controle beleid nieuwe COPD-patiënt 1. Mild COPD: controle bij de huisarts en op indicatie spirometrie; 2. Matig COPD: minimaal 1 keer per jaar spirometrie meten; 3. Ernstig COPD: minimaal 1 keer per jaar spirometrie meten.
Controle beleid bekende COPD-patiënt 1. Mild COPD: minimaal jaarlijks spirometrie meten; 2. Matig COPD: jaarlijks spirometrie meten; 3. Ernstig COPD: jaarlijks spirometrie meten.
Volgens de Prof. De Backer, pneumoloog, kunnen de lichte vormen van COPD perfect door de huisarts worden opgevangen. De eerste lijn kan instaan voor de educatie tot therapietrouw (gebruik van inhalator, minimaal aantal innamen, etc.)
Een jaarlijkse controle bij
voorkeur met spirometrie – bij de huisarts of anders bij de pneumoloog –
volstaat voor de follow-up. Voor de meest ernstige vormen moet de patiënt
beurtelings bij de huisarts en de pneumoloog om de andere aspecten van de
longfunctie te meten.
|