Inleiding.
Vele van de hedendaagse hospitalen, beheerd door onze Commissies van Openbare Onderstand, zijn zeer oude instellingen. In het Luikerland is dit zelfs de regel en het merendeel van hun onroerend bezit komt nog voort van stichtingen en legaten die soms tot de XXIIIde eeuw en hoger opklimmen.
Dit wil echter niet zeggen dat de hospitalen, waarvan gezegde Commissies van Openbare Onderstand de erfgenamen zijn, als alle openbare ziekenhuizen gesticht zijn. Zonder speciaal te willen beklemtonen dat het Middeleeuws begrip ziekenhuis of infirmerie het huidig begripkliniek of hospitaal niet eens dekt, dient er rekening mee gehouden dat een aantal oude hospitalen van meet af een andere bestemming, dan zieken verzorgen, hadden.
Het St.-Jacobusgasthuis van Tongeren bv. Was als herberg voor pelgrims gesticht, niet voor eender welke pelgrims, die zo maar door onze stad trokken.Neen, zijn bestemming was duidelijk omschreven: enkel bedevaarders naar Santiago de Compostella kregen er voedsel en nachtverblijf. Dergelijke gasthuizen kwamen veelvuldig voor in de Nederlanden en in Frankrijk, en wel vooral langs de z. gn. St.-Jacobswegen.
Zijn stichtingsdatum is ons niet bekend. Nochtans, zoals we verder zullen zien, genoten de bedevaarten naar Santiago, in de XIe eeuw reeds in onze gewesten een zekere populariteit. Als we er rekening mee houden, dat de noodzakelijkheid tot de oprichting van een gasthuis te Tongeren zich zekere tijd moest laten gevoelen vooraleer godvruchtige zielen tot zijn stichting bijdroegen, kan het bezwaarlijk ouder dan het midden van die eeuw zijn.
Anderzijds weten we dat het omstreeks 1195 reeds bestond: in de oorkonde van 28 oktober 1235 wordt inderdaad gezegd dat, ongeveer 40 jaar vóór 1235, een lid van het geslacht van Mulken een legaat aan bedoeld hospitaal gedaan had.
Op dit alles steunend durven wij de stichtingsdatum tussen 1050 en 1195 situeren.
Over bedevaarten naar Santiago.
Gedurende de laatste decennia verschenen zeer interessante studies over de Middeleeuwse bedevaarten naar St.-Jacob in Spanje. Het lijvige werk van Luis Vasquez de Parga, José Lacarra en Juan Urla Riu, getiteld Las Perigrinationes a Santiago de Compostella , verschenen te Madrid in 1948, vloeit over van bijzonderheden over dit onderwerp. Monseigneur F. Van Cauwenberg en J. Vielliard, publiceerden respectievelijk in 1922 en 1950 studies en teksten over gezegde bedevaarten, terwijl dhr. Th. Maes het hele probleem nog eens flink overschouwde in een bijdrage, verschenen in 1951.
Wij zullen er ons derhalve toe beperken het voorhanden materiaal bondig samen te vatten.
Zij die zich voornamen het graf van de apostel St.-Jacob in Compostella te gaan bezoeken lieten zich door uiteenlopende gevoelens leiden: ofwel ondernamen ze die lange en gevaarlijke tocht uit zuivere en ongedwongen devotie, ofwel in gevolge een gelofte, in ogenblikken van zware beproeving afgelegd.
Van uit de Lage Landen werden alzo reeds vroegtijdig bedevaarten naar Santiago ondernomen. In 1065 had zelfs een massale pelgrimage van Luikenaren plaats, geleid door zekere Robrecht, een monnik van de St.-Jacobsabdij te Luik, waar als reliek een arm van de apostel uit Santiago bekomen, bewaard werd.
Niet allen streefden nochtans een godvruchtig doel na:sommigen trokken er op uit om aan hun reislust te voldoen en vreemde mensen en landen te zien, terwijl anderen in die verre gebieden handelsbetrekkingen trachtten aan te knopen. Onder de oprechte pelgrims mengden zich ook niet zelden valse bedevaarders, die na bedreven wandaden aan de greep van het gerecht poogden te ontsnappen en door het opwekken van de liefdadigheid der goedhartigen, op hun doortocht gemakkelijk aan de kost kwamen.
Tegenover al diegenen die uit eigen beweging de pelgrimstaf opnamen moeten we evenwel de strafbedevaarders plaatsen.
Boetebedevaarten waren reeds in de Hoge Middeleeuwen graag toegepaste straffen in de kerkelijke rechtspraak. Aanvankelijk werd de schuldige nog eenvoudig voor een bepaalde tijd uit zijn midden verbannen, zonder dat hem een bepaalde residentie toegewezen werd: weldra nochtans, en dit voornamelijk onder invloed van de heiligenverering, legden de kerkelijke rechters hem op gedurende de tijd van zijn ballingsschap een bepaalde bedevaartplaats te bezoeken. De bisschoppen gaven de veroordeelde dikwijls een vrijgeleide mee, waardoor het medelijden van de kerkelijke autoriteiten op zijn doortocht opgewekt werd en deze de boeteling met christelijke gastvrijheid behandelden.
Het canociek recht kende twee soorten bedevaarten:
de perigrinationes majores , t.t.z. naar Rome, St.-Jacob van Compostella, St.-Thomas van Kantelberg en de Drie Koningen te Keulen .
de perigrinationes minores , zoals vb. O.L. Vrouw van Rocamadour.Vooral in het Zuiden van frankrijk werden strafbedevaarten veelvuldig opgelegd en het is van daar uit dat hun toepassing in onze streken verspreid werd.
Naar het voorbeeld van kerkelijk tribunalen werden de boetevaarten vervolgens ook door de stedelijke schepenhoven uitgesproken.In het Luikerland, waar het staatshoofd gelijktijdig geestelijke en wereldlijke gezaghebberwas, schijnt de toepassing van bewuste straf door de leke rechters vroeger dan elders gehuldigd te zijn. De Paix des Clercs (7augustus 1207) legde o.m. strafbedevaarten aan klerken op, die verwondingen toegebracht hadden.
Ofschoon we te Luik eerst in 1299 de eerste toepassing van dit soort straf in een geschreven tekst tegenkomen, mogen we toch met recht en reden veronderstellen dat de praktijk de boekstaving lang voorafgegaan is. Trouwens, door de misdadiger voor enkele jaren op reis te sturen, was de plaatselijke gemeenschap al vast voor een bepaalde tijd van zijn ongewenste praktijken gevrijwaard.
<in onze streken kende men een tiental verschillende bedevaartplaatsen, waaronder het graf van St.-Jacob een zekere voorkeur scheen genoten te hebben. Santiago de Compostella in Gallicie is immers het oudste en meest beroemde pelgrimsoord van Spanje en in 1014 reeds bracht een monnik uit Santiago relieken van gezegde heilige naar Luik over, waar ze in de St.-Jacobskerk vereerd werden.
De veroordeelde werd doorgaans verplicht zijn reis binnen 40 dagen na het vonnis aan te vangen. Hij droeg een brede vilthoed, een grove wollen mantel, een kalebasfles, een met ijzer beslagen pelgrimstaf en een vrijgeleide. Het gebeurde wel eens dat een aantal pelgrims groepsgewijs op weg gingen. De reis gebeurde te voet en het was de bedevaarders verboden langer dan één dag en één nacht op dezelfde plaats te verblijven in de daartoe langs de St.-Jacobswegen opgerichte hospitalen, herbergen en passantenhuizen. Hij diende de vasten te onderhouden behalve op zon- en feestdagen.
Te Santiago aangekomen zocht hij eerst logies in de overbevolkte pelgrimsstad en, na er in de kathedraal gebiecht en gecommuniceerd te hebben,ontving hij van de geestelijkheid een certificaat, dat bij zijn terugkomst de volbrachte boete moest bewijzen: dergelijke certificaten werden meermaals in het archief van onze schepenbanken weergevonden. Ook bracht hij een of meer St.-Jacobsschelpen mee die hij op zijn hoed of mantel bevestigde.
Sommige pelgrims bleven geen jaar onderweg: anderen kwamen slechts na ettelijke jaren terug, hadden op hun tocht betrekkingen met kooplieden aangeknoopt en winstgevende zaakjes gedaan. Dit misbruik werd nochtans in de XVde eeuw door de schepenbanken bestreden.
Het spreekt vanzelf dat, volgens een algemeen geldende gewoonte, de strafbedevaarten konden afgekocht worden tegen een vast tarief: dit gebeurde vooral in de XIVde en XVde eeuwen en voor Oudenaarde, Gent;, Aalst, Dendermonde en Leuven zijn dergelijke tarieven bewaard gebleven.
Van de XVIde eeuw af verloren de perigrinationes majores veel van hun belang en werden door de rechters meer nabije bedevaartplaatsen uitgekozen zoals Halle, Maastricht, SCherpenheuvel en Kevelaar.
Het St. Jacobsgasthuis te Tongeren .
Wezen er hoger reeds op dat de pelgrims, in de voornaamste steden op hun doortocht, in daartoe gestichte gasthuizen konden overnachten, hun honger stillen en zich desgevallend laten verzorgen. Te Tongeren werd een St.-Jacobsgasthuis kort bij het centrum der Romeinse stad gebouwd binnen de tweede omheining der IVde eeuw - omheiningsmuur die in de XIIIde eeuw nog grotendeels bestond - en langs de heerweg op Bavay, op de hoogte waar thans de schouwburg "Casino" verrijst.
Als bijkomend bewijs van zijne hoge oudheid kunnen we hier nog aanhalen dat de kapel van dit gasthuis in 1246 al in puin viel: Ruinam undique pre sui vetustate minetur et ideo eam ampliari oporteat.
Het herbouwen en vergroten was tevens nodig omdat een begijnhof in de nabijheid van het gasthuis tot stand gekomen was en de begijnen, door toelating verleend door de plebaan Theobald op 24 oktober 1245, de kerk van St. Jacob druk bezochten: capellam dicti hospitali multitudo beginarum confluxerit.
Op dit ogenblik hadden de poorters echter al het plan opgevat een nieuwe stadsomwalling te bouwen, doch niet op de plaats van de tweede Romeinse muur, door de bouw van die nieuwe vestingen kwamen het St.-Jacobsgasthuis en het Begijnhof buiten de Middeleeuwse stad te liggen. Dit laatste werd reeds in 1257 binnen de wallen overgebracht.
In april 1276, tijdens een oorlog tussen de prinsbisschop van Luik en de hertog van Brabant, bleek het nodig de vestingen der stad te verstevigen en de grachten te verbreden. Hospitaal en kapel werden dan maar in der haast door de poorters afgebroken. De prior Mathias de Loes kocht dan voor zijn instelling een nieuw terrein in de stad. Het strekte zich uit van de Maastrichterpoort langs de Schiervelstraat en besloeg dus het hele pand van het huidig stedelijk hospitaal, dat er de voortzetting van is.
De bouw van de nieuwe kapel werd op 24 maart 1283 aangevangen en op 28 januari 1284 werd ze ingewijd. De huidige kerk, die het gekende mausoleum van gravin de Hinnisdael de Berchem bevat, dateert van 1660.
Langs de Groenstraat, de huidige Clarissenstraat, lag de hoeve van het gasthuis, zoals o.m. uit een akte van 5 juni 1492 blijkt: buiten de stad bezat het de hoeve ter Heide en die van Offelken.
Zijn Inrichting en Wederwaardigheden.
Een menigte bijzonderheden betreffende de geschiedenis van het St.-Jacobsgasthuis werden door Ch. Thijs in zijn Chapitre de Notre-Dame à Tongres verstrekt. We laten hier bijgevolg slechts een zeer beknopt overzicht over de organisatie en het doel van de instelling volgen.
Aan het hoofd van het gasthuis stond een prior reeds in 1233 vermeld: het werd verder bediend door broeders en zusters aan wie de bisschop Jan van Aps datzelfde jaar toestond de regel van st. Augustinus te volgen. De deken van het O.L.Vrouwekapittel bezat het recht van institutie.
Daar de regel niet in al zijn punten gevolgd werd, gaf bisschop Hendrik van Gelder aan Renerus, kanunnik van Tongeren, opdracht het gasthuis te bezoeken en zijn bedienaars een nieuw reglement op te leggen. Dit stuk is gedateerd: 13 december 1249.
Na een hevig geschil Tussen de prior en het stadsbestuur, werd op 24 februari 1399 bepaald dat dit laatste het recht bezat de vier bedienden van het gasthuis, de brouwer, de "bayartmeester", de landbouwer en de rentmeester te benoemen.
Nog andere reglementen dan dat van Renerus werden uitgevaardigd, doch alleen dat van 14 januari 1619 bracht een grondige verandering van de organisatie: de broeders werden afgesteld en vervangen door vier zusters, die het aantal vrouwelijke kloosterlingen op 10 brachten: de regel van het Groot Gasthuis van Leuven zou voortaan onderhouden worden. De functie van prior werd eveneens afgeschaft: het geestelijk gezag berustte dan uitsluitend in de handen van een moeder-overste tot in 1634, toen opnieuw een prior aangesteld werd.
Het hele verleden van het St.-Jacobsgasthuis wordt door een verbeten en voortdurend conflict met het stadsbestuur gekenmerkt. Dit laatste eiste dat de zieke burgers er ter verpleging opgenomen werden. Wel is waar nam het gasthuis nu en dan kostgangers of commensales in; dit blijkt uit diverse akten, o.m. van 1236, van mei 1273 en 20 april 1345. Doch deze commensales betaalden voor de ontvangen zorgen.
Het primitieve doel van het gasthuis niet uit het oog verliezend, maakte het reglement van Renerus, van 13 december 1249, echter duidelijk gewag van het verzorgen van armen en gebrekkigen.
Door diverse testamenten, ten voordele van het St.-Jacobsgasthuis gemaakt, werd daarenboven de verplichting opgelegd de plaatselijke armen en zieken te verplegen. Men raadplege b.v. de testamenten van 7 november 1289, 11 juni 1316, 1 maart 1320, 11 juni 1343, 20 juni 1344, 25 october 1349, 1 maart 1455, 13 april 1611, enz.
De afwezigheid van een stedelijk ziekenhuis had zich dus derwijze laten aanvoelen dat de poorters, telkens ze enig legaat aan het St.-Jacobsgasthuis deden, er de verplichting bijvoegden naast pelgrims ook plaatselijke zieken ter verzorging op te nemen.
Tot in het eerste kwartaal van de XIVde eeuw schikten de broeders en zusters zich zonder morren naar de wil van de erflaters, doch weldra trachten ze zich aan deze bijkomende verplichting te onttrekken en tot de primitieve bestemming van het gasthuis terug te keren.
Toen de prior weigerde nog verder zieken te aanvaarden kon de burgerlijke en gerechtelijke overheid zich niet meer onbetuigd laten en ontstonden een reeks geschillen die aan de vooravond van de Franse Revolutie nog geen oplossing gevonden hadden. Enkele feiten mogen hier wel ter illustratie aangehaald.
1331 en 1345 - de schout vergezelt de zieken aan dewelke de prior de toegang ontzegd had en installeert ze gewapenderhand.
1399 - de magistraat plaatst wachten voor het gasthuis; de prior verschuilt zich in de toren van de kapel; de burgemeesters, de deken en de cantor van het O.L. Vrouwekapittel dringen de kapel binnen en nodigen de prior uit vrede te sluiten, hetgeen op 24 februari 1399 op het raadhuis gebeurt; doch de broeders en zusters erkennen dit akkoord niet en leggen klacht neer bij de officiaal te Luik, die de raadsleden excommuniceert.
1519 - de pest heerst in onze streken en de officiaal beveelt de prior de besmette poorters te verzorgen; op diens weigering beslist de raad op 26 augustus dat men die van den groten gasthuys met recht vervolghen sal, want sy die siecken refuseerden aen te nemen.
1532 - de burgers lopen gewapend samen, breken de poort van de ziekenzaal of bayard open en leggen enkele zieken in de bedden; een met de pest besmet meisje sterft op 20 mei, doch niemand bekommert zich om haar begrafenis, zodat het lijk twee dagen lang in de ziekenzaal blijft liggen.
1736 - de prior weigert een aan een kwade koorts lijdende militair toe te laten; de magistraat spant een nieuw proces tegen het gasthuis in, dat in 1744 voor de Geheime Raad te Luik ventileerde, in 1746 voor het Hof van Wetzlar bepleit werd en in 1794 nog onbeslist was.
Daar de prior, toen het Luikerland bij Frankrijk aangehecht werd, nog steeds staande hield dat zijn instelling alleen pelgrims en geen zieken herbergde, viel het st.-Jacobsgasthuis onder de toepassing van de wet van 15 fructidor IV. De zusters verlieten de gebouwen in januari 1797 en de kerk werd gesloten.
Toen beslist werd de goederen te verkopen, kwam de municipaliteit tussenbeide en vroeg uitstel tot ze de bewijsstukken voorleggen kon, waaruit blijken zou dat de stad belangrijke rechten op het St.-Jacobsgasthuis bezat. Na een intens over en weer geschrijf, werd de aloude instelling eindelijk op 12 juni 1801 aan het beheer van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen toevertrouwd.
Over de wijze waarop de kranken in het St.-Jacobsgasthuis bijgestaan werden, laten de archiefbronnen niet veel los. We weten dat de ziekenzaal in de XIVde eeuw bayart geheten werd en dat deze in 1533 uit een kamer met 6 bedden bestond.
In 1619 liet de suffragaan van luik, steven Strechius, aan de stad toe op eigen kosten binnen de omheining van het St.-Jacobsgasthuis een zaal voor de zieke burgers te bouwen en te bemeubelen; de zusters moesten voor hun verzorging instaan, doch zotten, bezetenen, leprozen en oude mannen bleven uit het gasthuis geweerd. In 1663 werd dit ziekenhuis gebouwd; het bevatte drie zalen, waarvan twee met bedden.
Enkel in uitzonderlijke omstandigheden namen de priors notitie van hetgeen in hun instelling voorviel; zo beschreef de prior Andreas Driesen de oorlog van Lodewijk XIV tegen de verbondenen en de tonelen die zich in het gasthuis afspeelden, toen men in 1672 honderden gekwetste soldaten het gasthuis inbracht: sichuys, beyart, den groten reftor, pant, alle scurren en stallen, den wagenscerm, den stall bey den kerchoff, gallerey, backhuys, waren vervult met gequetsden en krancke; 't was scromelyck als een oordeel te sien de ellendigheydt en te horen 't kuymen en kermen van dese menschen; den enen wordt een been afgesatten, aen d'andere den arm en nogh aen eenen sneet den franssen chirgyen leventigh een oge uyt syn hoof .
Hetzelfde gebeurde op 10 october 1746, na de slag van Rocourt; de veertig gekwetste officieren stierven bijna allen, ofschoon er geen gebrek aan bouillon ende medicamenten was en menighvuldige fransche chirurgeyns zich om hen bekommerden; Een Engelse kolonel, genaamd Kendal, had door een kanonskogel een been verloren; hij werd in de boomgaard gelegd, waar hij stierf.
Wij twijfelen er aan of het Nieuw Regime beterschap in deze toestanden bracht; het samenvoegen van het ziekenhuis, weeshuis en oudemannenhuis in dezelfde gebouwen kan inderdaad niet als een verbetering bestempeld worden. |